Niet alles wordt beter van harder werken
Een paar maanden geleden kreeg ik van iemand een desemstarter. In de basis is het verrassend eenvoudig: meel, water en tijd. Je voedt hem regelmatig en als de omstandigheden goed zijn, ontstaan er bubbels en komt hij tot leven.
Ik houd van goed brood. Van de geur als het uit de oven komt, van een stevige, knapperige korst en van het idee dat je met een paar eenvoudige ingrediënten iets heel goeds kunt maken. De starter die ik kreeg was van rogge en ik wilde hem omzetten naar spelt. Dat had ik immers in huis. Dus ik voedde. En wachtte. Dat wachten bleek al snel een dingetje.
Ik had zo’n dertig jaar geleden in Portugal ook met desem gewerkt. In de warmte van de Algarve vloog die starter bij wijze van spreken de pot uit. Mijn Nederlandse variant was aanzienlijk minder enthousiast. Een paar bubbeltjes. Meer niet. Dus deed ik wat veel mensen doen als iets niet snel genoeg gaat: ik ging harder mijn best doen.
Ik las boeken, bekeek filmpjes, voedde, splitste, voedde opnieuw en probeerde vooral te begrijpen wat ik verkeerd deed. Opgeven wilde ik niet. Niet alleen omdat ik ervan overtuigd was dat het moest kunnen, maar ook omdat ik de starter van iemand had gekregen. Als iemand mij iets met aandacht geeft, voel ik de verantwoordelijkheid om daar zorgvuldig mee om te gaan.
En toen waren daar eindelijk de bubbels. Dit moest hem worden. Niet dus. Mijn eerste brood was een misbaksel: keihard en nauwelijks eetbaar. Maar ik weigerde te geloven dat ik de eerste mens in Nederland was die geen fatsoenlijk spelt-desembrood kon bakken. Dus ging ik door.
Pas na een paar weken begon ik te begrijpen wat ik werkelijk moest leren. Niet nóg meer doen, maar beter kijken. Wanneer is er voldoende activiteit? Wanneer moet ik iets toevoegen? Wanneer moet ik bijsturen? En vooral: wanneer moet ik gewoon even wachten?
Mijn grootste probleem bleek niet de starter. Niet de spelt. En ook niet de Nederlandse temperatuur. Mijn grootste probleem was mijn ongeduld.
Je kunt goede ingrediënten hebben, de juiste omstandigheden creëren en precies weten wat je wilt bereiken. Maar je kunt een desemstarter niet dwingen om sneller te rijzen. En ergens tijdens al dat wachten realiseerde ik me dat dit misschien wel veel dichter bij mijn werk ligt dan ik dacht.
Ook als leider wil je graag beweging zien. Zeker wanneer resultaten achterblijven, een team niet lekker draait of een project stroef verloopt. Stilstand voelt ongemakkelijk. Dus grijpen we in. Meer druk. Meer mensen. Een extra deskundige. Nog een overleg. Een nieuwe methode. Een aangescherpt plan.
We doen iets, omdat wachten al snel voelt alsof we niets doen.
Maar misschien zit daar juist de valkuil. Niet ieder proces dat langzaam gaat, zit vast. En niet ieder team dat nog zoekt, heeft een interventie nodig.
Je kunt uitstekende mensen bij elkaar zetten, heldere doelen formuleren en een strakke planning maken. Daarmee heb je nog geen goed team. Mensen moeten elkaar leren kennen en ontdekken wat ze aan elkaar hebben. Vertrouwen, samenwerking en gezamenlijk verantwoordelijkheidsgevoel ontstaan niet op commando. Daar is ook tijd voor nodig.
Dat maakt wachten voor mij een onderschat onderdeel van leiderschap. Niet achteroverleunen en hopen dat het goedkomt, maar goed kijken zonder steeds in te grijpen. Kunnen verdragen dat je nog niet direct resultaat ziet. Onderscheid maken tussen een proces dat vastloopt en een proces dat simpelweg bezig is zich te ontwikkelen.
Net als bij mijn starter gaat het erom dat je leert zien wat er nodig is. Is er voldoende ruimte? Is de druk te hoog? Moet ik iets toevoegen? Of is het beste wat ik nu kan doen juist even niets?
Mijn desem kost me tegenwoordig verrassend weinig werk. Ik voed hem, maak mijn voordeeg en daarna volgen vooral uren waarin ik wacht. Het proces doet zijn werk en ik hoef daar niet voortdurend tussen te zitten.
Misschien is dat wel wat deze koppige pot desem mij vooral heeft geleerd: goed leiderschap zit niet alleen in weten wanneer je moet handelen, maar ook in weten wanneer je moet wachten.
Dat laatste vind ik eerlijk gezegd nog steeds het moeilijkst. Want als je betrokken bent en verantwoordelijkheid voelt, is iets dóén vaak een stuk comfortabeler dan erop vertrouwen dat een proces tijd nodig heeft.
Soms moet ik ingrijpen. Soms moet ik bijsturen. Soms moet ik duidelijk zijn.
En soms moet ik erop vertrouwen dat ik genoeg heb gedaan en er met mijn handen vanaf blijven.
Mijn brood is er in ieder geval een stuk beter van geworden.
Food for thought.
Karin
Nee heb je, ja kun je krijgen. Bel gewoon, mail of plan een gesprek. Kunnen wij je niet helpen, dan kijken wij in ons netwerk en geven we je advies zodat je alsnog verder komt.